Samenleven is geen spelletje

Samenleven is geen spelletje

Al jaren biljart er een groep mannen samen. In een vereniging. Al jaren zijn er mannen bij die vooral willen winnen. En al die tijd zijn er ook mannen bij die lid van het bestuur zijn geweest. Soms kwam er dus wel eens een man chagrijnig thuis. Omdat hij had verloren, of omdat er een tientje in de boekhouding miste en hij kwam er maar niet uit. Maar over het algemeen hadden die mannen het prima naar hun zin.

Ik heb wel van horen zeggen dat er wel eens platvinken naar binnen werden gesmokkeld. Tenminste, toen ik kleiner was vertelde mijn opa dat zo’n metalen heupfles bedoeld was om cognac in te doen voor als je gaat biljarten, dus ik heb daar zelf mijn conclusie getrokken waar ik nog steeds achter sta. Maar over het algemeen deden die mannen niemand kwaad.

Jaren later, het buurthuis is er al lang niet meer, biljarten ze nog steeds samen. Er is veel veranderd. Niet alleen moeten ze nu blij zijn als er ergens verspreid over Dordrecht weer een plekje is om te mogen biljarten, ze zijn zelf ook veranderd.
Penningmeester zijn, daar heeft mijn opa geen zin meer in, zegt hij. Dat kost te veel tijd.
Maar wat hij wel doet is Piet bellen. Eerst zijn vrouw om te vragen of Piet wel vrolijk genoeg is vandaag om te kunnen biljarten. En daarna Piet: ”We gaan vanmiddag weer biljarten, hè Piet! Ik kom je straks halen.” En daarna belt hij oude Piet. Die is namelijk wat ouder, maar nog wel wat minder vergeetachtig. Alleen oude Piet die loopt weer moeilijk en kan al jaren niet meer autorijden. En voor oude Piet is het ook best wel moeilijk om uit te zoeken hoe hij elke keer ergens anders moet komen met de bus. En op tijd komen is wel belangrijk. Dus oude Piet wordt ook opgehaald.

Sommige mannen hebben nooit zoveel gepraat. Soms praten ze over politiek, soms wordt er geregeld dat iemand de belastingformulieren van iemand anders invult en zulke dingen. En ze spelen gewoon een spelletje. Want het ís ook allemaal maar een spelletje, toch? Al die mensen die leven voor de club. Die onder elkaar voor elkaar zorgen. Moet wel je gebouw in Dubbeldam niet instorten, natuurlijk. Of moet je als kleine vereniging überhaupt een plekje in de wijk hebben.

Zullen we met z’n allen wat bozer worden? Vaker roepen dat we verenigingen weer terug in de wijk willen, even een dikke vinger opsteken naar de mensen die klagen over dat ze twee keer in het jaar last hebben van gelach op straat van een muziekvereniging; dan doe je maar mee! Of desnoods lekker passief agressief, zo ben ik, “Samenleven is geen spelletje” stoepkrijten overal in de stad? Dat al die mensen weten dat er gevochten wordt voor een plekje voor ze.

Jonge Piet belt mijn opa. Het is even stil aan de andere kant van de lijn en dan vraagt Piet: “Heb ik gewonnen?”
Dat opa dan de volgende keer kan lachen en zegt: “Bijna Piet. De competitie is nog niet voorbij, maar je bent weer aan het winnen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.